The Allman Brothers Band – 50th Anniversary: Fillmore West ‘71
Format: 4CD / Label: Eigen Beheer
Releasedatum: 6 september 2019

Tekst: Mark Harmsma

De aankondiging (https://bluesmagazine.nl/allman-brothers-band-50th-anniversary-fillmore-west-71/) dat er nieuwe live opnames worden uitgebracht van de originele Allman Brothers Band, opgenomen in de ‘kerk van de rock & roll’ the Fillmore, doet menigeen de oren spitsen.
Immers, iedere zichzelf respecterende liefhebber van gitaar, rock, blues en misschien ook wel menig jazz-lover heeft het legendarische album ‘Live at Fillmore East’ (vanaf nu: FME) in de platenkast staan. Zaaleigenaar Bill Graham was meer dan een concert-promoter: een onconventionele visionair die – naast dat zijn Fillmore East en Fillmore West de opname van menig klassiek live album mocht faciliteren – veel betekend heeft voor The Allman Brothers Band (vanaf nu: ABB). Zijn onvoorwaardelijke geloof in the ABB leidde tot een veelheid aan boekingen, een toenemend breed publiek als gevolg van zeer wisselende affiches, en tot een vriendschap met (de band van) een van de grootste gitaristen ooit, Duane Allman. Voor zolang als het duurde, want niet alleen werden de venues vroeg in de jaren 70 al gesloten, ook de vroege dood van Duane zal bij de lezer van deze recensie bekend zijn.

Sinds jaar en dag staat het live-album hoog in de top 10 van beste live albums ooit van Rolling Stone Magazine, en het zal ook niet uit die lijst verdwijnen – evenmin als ‘Live in Japan’ van Deep Purple, of ‘Get yer Ya-ya’s out’ van de Stones.
Ik heb zelf vier verschijningsvormen (lp, 4lp, cd en integrale uitgave van de concertreeks op cd) waarvan natuurlijk mijn allereerste het meest waardevol is: ik heb ‘m namelijk weten te laten signeren door Gregg Allman. De ontdekking van datzelfde album, op ongeveer 15-jarige leeftijd, heeft in elk geval mijn leven veranderd – zoals bij velen. Het heeft me definitief bevrijd van het fenomeen ‘radio-liedjes’, mijn zicht op blues verruimd en me doen beseffen dat sommige gasten (muzikaal) dingen flikken die nooit eerder gedaan zijn, en bovendien niet geëvenaard zullen worden.

En dan is er nu een uitgave van de 3 concerten uit januari 1971, maar dan opgenomen in Fillmore West (vanaf nu: FMW), ongeveer 6 weken voor de opname van wat een klassieker zou worden. De direct via de mengtafel opgenomen banden hebben op zolder gelegen bij de eerste roadies, die net zo goed als de muzikanten tot ‘the brotherhood’ behoorden die in hun woonplaats Macon, GA voor veel ophef zorgde. Al was het maar vanwege het feit dat huidskleur in de band terecht geen rol speelde, en dat in de vroege jaren ’70 in het diepe zuiden!
Na eerdere heruitgaven in de archiefserie van ABB, waarin vooral iedere redelijk goede opname van concerten van de originele band zijn uitgebracht, is dit toch wel de klapper die het 50-jarig jubileum van de band opsiert: maar liefst drie integrale, niet eerder uitgebrachte, concerten met Duane die het einde van 1971 niet meer mocht meemaken. Alle opnames uit die periode waar een fan de hand op heeft weten te leggen zijn als bootleg uitgebracht, en om alvast een bruggetje te maken naar cd4 met een opname van het Warehouse concert in New Orleans: voor die integrale concerten heb ik nog weleens $150,- afgetikt in een platenzaakje. Dan is deze mooie serie wel even andere koek.

Drie concerten uit begin 1971 dus, van 29, 30 en 31 januari 1971 die respectievelijk op cd1, cd2 en cd3-4 zijn gezet. We gaan er even doorheen, waarbij ik het materiaal vergelijk met FME:

De 29 januari set begint met de wel vaker gespeelde drieluik van relatief korte nummers, Statesboro Blues, Trouble No More en Don’t Keep Me Wondering. De versies zijn iets gejaagder en sneller dan op FME, zonder extreme hoogtepunten. We hebben direct een beeld van de kwaliteit van de geluidsopnames van deze 4cd box.
Het orgel van Gregg Allman stond kennelijk op het podium zacht, want dan moet het er op de mengtafel behoorlijk uitgelicht worden. Het orgel zit deze opname heel vet in de mix, je kunt goed horen wat Gregg speelt – ik kan eigenlijk geen betere opname noemen waarmee zo goed een studie van orgelpartijen mogelijk is. En let wel, het orgelwerk is meer dan smaakvol! Ik durf te stellen dat Gregg zijn beste orgelwerk in 1971 geproduceerd heeft, waarschijnlijk als gevolg van een combinatie van toeziend oog van (broer/mentor/grote voorbeeld/vervanger van hun vader die vermoord werd in de vroege jeugd) Duane, en het feit dat de dope hem nog niet volledig in de tang had. Los daarvan mocht ik op menig forum lezen dat Gregg natuurlijk geen Jimmy Smith is, waarop een eenvoudig antwoord past: Jimmy Smith in The ABB zou dan ook niet werken – nog los van wie de leadvocals voor zijn rekening neemt.
Daarna gaan we door met Liz Reed, dat deze avond erg puntig gespeeld is, terwijl de rest van de set juist iets ‘losser’ aandoet. Dit nummer doet een goede gooi naar het hoogtepunt van deze avond, de solo’s van Duane, Dickey en Gregg kunnen makkelijk naast FME gelegen worden: alle drie gaan goed tekeer.
Dan gaan we naar Midnight Rider – in originele bezetting best een unieke opname – temeer het dit nummer niet op de originele FME staat. Onderaan deze recensie tref je van de nummers die niet op FME staan een inventarisatie hoe ‘uniek’ deze zijn. Ook de jams rondom You Don’t Love Me krijgen gestalte, met een – in alle versies – duet tussen Dickey en Duane en enerzijds herkenbare passages, anderzijds echt vrije invulling.
In de afsluiter Whipping Post laat de geluidskwaliteit wat te wensen over, en ook de mix loopt hier mank want de solo van Duane valt bijna weg – hetgeen een teken zou kunnen zijn dat hij voor de toegift z’n volume nog een tandje hoger gezet heeft (waardoor backline nauwelijks uitversterkt hoeft te worden in vergelijking tot de rest van de band, en het schuifje van zijn kanaal dus relatief zacht staat op de mengtafel en dus de daar gemaakte opname).

De tweede cd met het tweede concert begint met een lekkere binnenkomer, natuurlijk weer Statesboro Blues, dat intens gespeeld wordt: minder gejaagd en lekker laidback, met goede solo’s. De setlists van de verschillende avonden verschillen niet sensationeel, dus ook hier treffen we eerdergenoemd drieluik. Wat opvalt is dat Dickey Betts zeer puntige solo’s geeft, hij lijkt behoorlijk in vorm deze set terwijl ook Gregg van zich doet spreken. Don’t Keep Me Wondering doet ons beseffen dat de tapes de tand des tijds met enige moeite hebben doorstaan (en in minder goede conditie waren dan die van 29 januari): de mix is wat vaag. Hadden we deze tapes dan niet 25 jaar eerder kunnen opknappen, of moeten we gewoon blij zijn met wat we gekregen hebben? Deze recensie gaat over dat laatste.
In zijn eigen compositie, Liz Reed bewijst Dickey deze avond inderdaad in bloedvorm te verkeren. You Don’t Love Me wordt lekker uitgebouwd, en deze versie lijkt al erg op hoe deze op FME terecht gekomen is. Whipping Post is zeer energiek, met opvallend vet baswerk van Berry Oakley en andermaal opvallend goed gitaarwerk van Dickey, een mooie afsluiter van deze set dus. In zijn solo legt Dickey het nummer ‘helemaal terug’ en bouwt de spanning opnieuw op. Even oefenen dus met het uit de schaduw van Duane stappen, hetgeen overigens door Duane altijd nadrukkelijk gepromoot is.

In het begin van de derde show begint Duane wat bombastisch, wat zenuwachtig wellicht: misschien moest een cocktail van middelen z’n werk nog gaan doen. Don’t Keep Me Wondering is dan ook wat rommelig, maar de rust en concentratie is helemaal terug in het vierde nummer Whipping Post, waar Duane echt ‘on fire’ is (zie speculatie hierboven). De bas zit heel vet in de mix, dus ook vanuit dat perspectief is deze opname van waarde: bassisten die noot voor noot willen analyseren wat Berry Oakley flikte, zetten deze opname op. En mocht je je afvragen of muzikanten zich zo gedetailleerd in hun voorgangers verdiepen? Reken maar dat Allen Woody heel wat luister-uren aan Oakley heeft besteed, zoals Jorgen Carlsson zich weer in uitgebreid in Woody heeft verdiept waarmee het bruggetje geslagen is naar de dag van vandaag – en ABB offspring Gov’t Mule.
Midnight Rider begint wat ongewoon, iets sneller, met waarschijnlijk Jaimoe op de conga’s en dus alleen Butch Trucks op drums. Ook opvallend is dat de backing vocals van Duane vrij hard in de mix zitten, wat deze opname redelijk uniek maakt. Dickey geeft in zijn eigen instrumental Liz Reed weer een pittige solo, en daarna ook in Hoochie Coochie Man. De zang van Berry zit lekker dik in de mix.
We vervolgen met Dreams, dat de vorige avond de setlist niet haalde en ook niet op FME staat. Deze versie is misschien wel het pareltje van de box, met te gekke vocals van Gregg, en de lange solo van Duane met Berry Oakley die daar jazzy doorheen speelt. You Don’t Love Me geeft alle ruimte aan de solisten, deze avond is Duane echt in bloedvorm dus dit is wel de must have show van de box. Je hoort in de improvisaties leuke passages die we op FME ook horen. Deze cd eindigt met de passage na dit nummer waar Duane een snaar moet vervangen, hetgeen er integraal op staat en zo hoort dat ook met integrale tapes: We want to have it all!

Voor de laatste twee nummers van dit optreden zet je cd4 op, en tref je in Whipping Post een aparte solo van Dickey. Hot ‘Lanta gaat daaraan vooraf, qua spanningsopbouw van de show mijns inziens een merkwaardige keuze, maar dit mag de pret niet drukken. Deze cd wordt aangevuld met een lange Mountain Jam (45 minuten!) uit ‘The Warehouse’ opnames, zodat je optimaal muziek gepresenteerd krijgt op alle cd’s. Gezien de duur van deze track mag je terecht de conclusie trekken dat ook de drummers en bassist alle ruimte krijgen om uitgebreide lange solo’s te geven – en toch vliegt de tijd om. Geinig ook om Duane ergens een slide-truukje te horen toepassen, dat later als kenmerkende vogelroep terug zou komen in Lynyrd Skynyrds Freebird – juist aan hemzelf opgedragen. Wie weet liep Gary Rossington als jonge muzikant wel op dat moment in The Warehouse rond…

Conclusie:
Vooral het ‘niet eerder uitgebrachte’-aspect maakt dit een must-have voor fans van ‘Live at Fillmore East’, van Duane Allman, The ABB, van (slide) gitaar en voor soortgelijke hippies zoals ondergetekende – die met mij van mening zijn dat 95% van de goede en relevante muziek voor 1980 gemaakt is. Als je de recensie tot hier hebt gelezen, en de box nog niet hebt, bel dan snel naar Popeye in Hengelo en Johan Dollekamp zal ‘m je toesturen! Veel plezier!


Tot slot duid ik de relevantie van de setlijst, waarvoor ik alle nummers die niet op Live at Fillmore East staan spiegel aan 7 goed verkrijgbare eerder uitgebrachte bootlegs of uitgaven uit de archiefserie, het betreft 8 shows met Duane:

De 4LP integrale uitgave van Fillmore East
Fishing for a Good Time (Warehouse NOLA),
American University 13-12-70,
Atlanta Pop Festival (2 sets verschillende dagen),
StonyBrook 19-9-71,
Boston Common 17-8-71
Ludlow Garage 1970

De volgende nummers die niet op FME staan, had je met het lijstje hierboven al een aantal keren in huis kunnen hebben:

Midnight Rider 2 keer
Hoochie Coochie Man 4 keer
Don’t Keep Me Wondering 7 keer
Trouble No More 7 keer
Dreams 3 keer
Mountain Jam 4 keer

De volgende nummers tref je op de cd’s:

CD 1, 1/29/1971
Statesboro Blues
Trouble No More
Don’t Keep Me Wonderin’
In Memory Of Elizabeth Reed
Midnight Rider
Dreams
You Don’t Love Me
Whipping Post

CD 2, 1/30/1971
Statesboro Blues
Trouble No More
Don’t Keep Me Wonderin’
In Memory Of Elizabeth Reed
Stormy Monday
You Don’t Love Me
Whipping Post

CD 3, 1/31/1971 Part I
Statesboro Blues
Trouble No More
Don’t Keep Me Wonderin’
In Memory Of Elizabeth Reed
Midnight Rider
Hoochie Coochie Man
Dreams
You Don’t Love Me

CD 4, 1/31/1971 Part II
Hot ‘Lanta
Whipping Post

Bonus Track:
Mountain Jam Live At The Warehouse, New Orleans, LA 3/13/1970 (first release of this version)

Website: The Allman Brothers Band


Ook op Blues Magazine ...