THE ALLMAN BROTHERS BAND – 50 YEARS AGO

Het jaar 1969 vormt een mijlpaal in de historie van de popmuziek en niet alleen vanwege het legendarische Woodstock-festival. Immers op 26 maart 1969 werd in Macon Georgia de Allman Brothers Band (verder ABB) gevormd die uit zou groeien tot een van de allergrootste bluesbands.

Tekst: Bernardo i.s.m. SR&BB. Dit artikel is eerder gepubliceerd in SR&BB magazine Track Juli/Augustus 2019

De eerste bezetting bestond uit Duane Allman lead- en slidegitaar, Gregg Allman vocals en orgel, Dicky Betts lead-gitaar, Berry Oakley bas, Butch Trucks en Jay Johanny Johanson (alias Jaimoe) drums en percussion (namen van bandleden: eerste maal volledig, daarna alleen voornaam). Het eerste titelloze studio-album (1969) bevat super blues/-rock in een unieke formatie met twee harmoniërende / duellerende gitaristen, een melodische bassist en twee swingende drummers. Gregg was de componist van op-twee-na alle nummers en toen nog de enige leadzanger. Zijn Whipping Post met de magistrale intro-riff geldt als een gitaar-klassieker.

Het tweede studio-album “Idlewild South” uit 1970 laat ook country-invloeden horen, in het bijzonder in de composities van tweede gitarist Dicky. Diens instrumentale “In memory of Elizabeth Reed” is een waar juweel en werd ook een gitaar-klassieker. Gregg’s Midnight Rrider is een prachtige song die ook door vele anderen is vertolkt. Ondanks het hoge muzikale niveau, deden de eerste twee studio-albums weinig qua verkoop. Al helemaal niet in Europa want wij waren in de ban van Engelse bands als Cream, Led Zeppelin, Deep Purple etc.

De doorbraak kwam met het live-album “Live at Fillmore East” in 1971. Daarop staan ABB-karakteristieke bewerkingen van bluesoriginals als Statesboro Blues, “Stormy Monday” en “You don’t love me”. Verder nummers van de eerdere studio- albums met majestueuze gitaarsolo’s in “Dreams”, “In memory of Elizabeth Reed” en “Whipping Post”. Dit dubbel-album wordt algemeen beschouwd als een van de beste live-albums uit de historie van de popmuziek.

Maar alras daarna sloeg het noodlot toe. In oktober 1971 kwam oprichter en leider van de band Duane om het leven bij een motorongeluk. Duane was van uitzonderlijk niveau en is nog immer een bron van inspiratie voor -met name slide- gitaristen. Naast de ABB verrichte hij studiowerk voor coryfeeën uit de soulmuziek, zijn intro op Wilson Picketts vertolking van het Beatles-nummer “Hey Jude” is een van de allermooiste gitaarlicks. Het meest bekend werden echter de gitaarduetten met Eric Clapton binnen diens band “Derek & The Dominos”, Duane bedacht en speelde het beroemde intro-riff van “Layla” en ook die zwoele slide naar het einde.

Na de dood van de leider vonden de overige leden toch de inspiratie om door te gaan en de lopende opnames voor het volgende album (deels studio, deels live) “Eat a peach” in 1972 af te ronden. Wederom slaagden Gregg en Dicky er met “Melissa” respectievelijk “Blue Sky” in memorabele songs af te leveren. “Little Martha” is een duet op akoestische gitaren dat later door veel fingerpickers is geadopteerd. Het live-deel bevat restanten van de Fillmore-East concerten.

De band besloot het wegvallen van Duane niet op te vullen door een andere gitarist, in plaats daarvan kwam pianist Chuck Leavell en die bleek een geweldige aanwinst. Het noodlot bleef de band echter achtervolgen. Een jaar later kwam bassist Berry om het leven eveneens bij een motorongeluk. Zijn vervanger werd Lamar Williams die wel een heel ander type was d.w.z. een echte Motown-bassist.

Het grote commerciële succes kwam in 1973 met het studio-album “Brothers & Sisters”. Dit werd een nummer 1 million-seller en het door Dicky gecomponeerde en gezongen “Ramblin Man” werd een heuse hit in de USA. Diens instrumentale “Jessica” werd ook een gitaar-klassieker. Aldoende werd de ABB in de jaren zeventig de belangrijkste representant van de zg. southern rock, met verder bands als Lynyrd Skynyrd, Marshall Tucker Band e.a.

Het daaropvolgende jaar gaven de ABB hun eenmalige concert in Nederland. Op 18 juli 1974 tijdens het Summerconcert festival op het gemeentelijk Sportpark (in de volksmond de drafbaan) in Hilversum met verder Mahavishnu Orchestra, Doobie Brothers e.a. Als ABB-addict was ik daar natuurlijk bij en dat vergeet ik nooit meer. (zie ook Track van maart 2017 www.srbb.nl/track pag. 9 e.v.)

Na de glorietijd met “Brothers & Sisters” zette het verval snel in. Dit had zeker te maken met het feit dat Gregg een solocarrière begon naast de ABB. Zijn debuut solo-album “Laidback” kreeg goede kritieken en leidde tot een grootse tournee waarvan later een live-album verscheen. De andere bandleden vonden dat het afbreuk deed aan de band, opnames vertraagde en tournees doorkruiste. Dicky reageerde met een eigen soloalbum “Highway Call” en zodoende ontstond er een ware competitie tussen de twee tegenpolen in de band.

Een andere factor die de ABB geen goed deed, was Gregg’s relatie met Hollywood-diva Cher waardoor hij meer in California verbleef dan in thuisstaat Georgia. In een sfeer van wantrouwen en ergernis begonnen ze aan de opnames voor een nieuw studio-album. De chemie tussen de bandleden bleek echter helemaal over en door allerlei complicaties liep het opnameproces uit tot een half jaar. Tenslotte leverde dit in 1975 “Win, Lose or Draw” op, zonder meer het slechtste ABB studio-album ooit.

In 1976 verscheen het live-album “Wipe the windows … Check the oil … dollar gas” met overwegend nummers van de vroegere studio-albums en -veelzeggend- slechts een van het laatste. De concertopnames maken ook duidelijk, dat Dicky, persoonlijk en muzikaal, te dominant was geworden binnen de ABB. Zijn gitaarsolo’s met oneindig herhalen van single-notes binnen dezelfde toonladders begonnen te vervelen. Gregg merkte hier later smalend over op: “country-gitarist”.

De tournee in 1975-1976 was een demonstratie van decadentie. Een ABB- vliegtuig, ieder een eigen limousine, een gigantische berg apparatuur, een waar leger aan roadies etc. Plus natuurlijk massa’s drugs, alcohol en “pussies”. Ondanks mega-inkomsten uit platen en concerten ging de ABB-company bijna failliet aan de volkomen op-hol-geslagen uitgaven. Precies zoals bij Fleetwood Mac na “Rumours”, de Eagles na “Hotel California” etc. pieken van supergroepen.

De bom barstte toen Gregg door de andere bandleden aangekeken werd op de veroordeling van een van de roadies wegens drugsdealen. In 1976 besloot hij de ABB te ontbinden omdat er volgens hem “no more brotherhood” was, waarna hij zich verder richtte op zijn solocarrière. Dicky begon een eigen band genaamd Great Southern. Chuck een band genaamd Sealevel met daarin ook Lamar en Jaimo. Butch bleef gefrustreerd alleen achter.

Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Na allerlei rampspoed met tenslotte de scheiding van Cher keerde Gregg terug naar zijn roots in Daytona Beach Florida. Onverwachts kwam daar Dickey opdagen met: “come down here to talk you about reforming the band“. In 1978 besloot het viertal Gregg, Dicky, Butch en Jaimo weer met elkaar in zee te gaan. Chuck en Lamar keerden echter niet terug van Sealevel. Laatstgenoemde overleed enkele jaren later aan longkanker, naar verluidt a.g.v. van blootstelling aan Agent Orange tijdens de Vietnam oorlog. In hun plaats werden gitarist Dan Toler en bassist David Goldflies aangetrokken.

Het eerste studio-album van de herrezen ABB was “Enlightened rogues” in 1979. Hiermee revancheerden ze zich voor de miskleun eerder, maar bereikten ze zelden het niveau van de vroegere albums. Vlak daarna ging het label Capricorn, uit de thuisbasis Macon Georgia, over de kop en sloten ze een contract af bij Arista. Hiervoor voltooiden ze de studio-albums “Reach for the Sky” in 1980 en “Brothers of the Road in 1981.

Beide zijn uiterst matig, qua composities van Gregg en Dicky en in de uitvoering, met als voornaamste oorzaak het rommelige basspel van David.

In de persoonlijke sfeer ging het ook weer bergafwaarts. Gregg verviel in chronisch alcoholisme hetgeen ten koste ging van zijn prestatie voor en invloed op de band. Dicky gedroeg zich als een dictator met als dieptepunt het ontslag van Jaimo om die te vervangen door Frankie Toler (Dan’s broer). Kortom de onderlinge spanningen liepen weer zeer hoog op. Begin 1982 viel de band wederom uit elkaar, nu leek het voorgoed, mede omdat in die jaren de animo voor blues afnam. Gregg ging verder met zijn eigen band, waarin ook de Toler-broers, en nam daarmee in de jaren 80 twee goede albums op “I’m no angel” en “Just before the bullets fly”. Dicky keerde terug naar zijn Great Southern en de rest zwermde uit over diverse bands.

Tegen het eind van de jaren 80 kwam er weer volop media-aandacht voor classic- rock waaronder de ABB. Dicky zag daarin aanleiding om weer contact op te nemen met Gregg en af te spreken in de studio van Butch. Opnieuw herrees de ABB uit zijn as en daarbij werd Jaimo weer in ere hersteld. Dicky bracht vanuit Great Southern als tweede gitarist Warren Haynes mee en als tweede keyboardspeler Johnny Neel. Via een auditie werd Allen Woody als de nieuwe bassist verkozen.

In de loop van 1989 deden de ABB een hele reeks reunie-concerten, pas in 1990 gingen ze aan de slag met het studio-album “Seven Turns”. Hiermee kwam de geest en het muzikale elan van begin jaren 70 weer helemaal terug. Het titelnummer van Dicky, met harmonie-zang allà de Eagles, was zeker het meest aansprekend en werd ook een hit. Bij mij persoonlijk was “Gambler’s Roll” favoriet, ongetwijfeld een van de mooiste slowblues-songs ooit door de ABB gemaakt, met een solo waarmee Warren Haynes bewees dat met hem een briljant gitarist was binnengehaald.

De opvolger “Shades of Two Worlds” in 1990 was ook erg goed maar minder succesvol. De vertolking van Robert Johnson’s “Come on in my Kitchen” paste hier perfect. Johnny had de band inmiddels verlaten omdat hij door zijn bijna-blindheid niet opgewassen bleek tegen het leven “on the road”. Tijdens de opnames werd percussionist Marc Quinoñes ingeschakeld en die beviel zo goed dat hij als vast lid van de ABB werd ingelijfd.

De ABB bleef een live-band bij uitstek getuige ook de DVD “Live at Great Woods” uit 1991 met de band in topvorm en diverse interviews. In de jaren 90 haakten ze ook aan op de unplugged-rage met de live-albums “An Evening with the ABB” nr. 1. en later ook nr. 2. De akoestische versie op laatstgenoemde van de ABB- klassieker “In memory of Elizabeth Reed” is echt schitterend.

In 1995 verscheen weer een nieuw studio-album “Where it all Begins”. Dicky leverde zoals gewoonlijk een pakkend nummer met “Back where it all begins” en Warren een bescheiden hit met “Soulshine”. Al met al brachten de jaren 90 voor de ABB successen die vergelijkbaar waren met de glorietijd. Niet voor niets werd de band in 1995 opgenomen in “The Rock and Roll Hall of Fame”.

Ergens begin jaren 90 lokte Butch Trucks Gregg mee naar een club in New Orleans voor een optreden van ene “Derek Trucks”. Alras werd duidelijk dat het ging om de neef van de ABB-drummer. Derek was toen nog geen tien jaar oud en met zijn slide-spel “blies hij het dak eraf”. Gregg deed in 1997 al een beroep op hem voor zijn wederom goede solo-album “Searching for Simplicity”.

In 1997 vertrokken Warren en Allen om een eigen band te vormen genaamd Gov’t Mule. Via een auditie werd Oteil Burbridge als nieuwe bassist gekozen. Technisch gezien superieur aan al zijn voorgangers, van het kaliber Stanly Clarke, Marcus Miller, Victor Wooten e.a. maar persoonlijk vond ik Allen echter meer passen bij de band. Jack Pearson, die Gregg al assisteerde op zijn solo-albums, werd de nieuwe tweede gitarist. Maar in 1999 verliet hij de band alweer omdat hij door problemen met zijn gehoor het ontembare volume van Dicky niet langer aankon. Daardoor kwam de weg vrij om de supergetalenteerde neef van Butch bij de ABB in te lijven. Ondanks dat Derek veel jonger was dan de rest, gaf hij de band een nieuwe impuls en wekte zijn slide-spel herinneringen op aan wijlen Duane.

In het millenniumjaar 2000 begon een nieuwe ABB-episode omdat een van de originele en bepalende figuren namelijk Dicky uit de band werd gezet. Achtergrond was de al lang gaande moeizame interactie met alle andere bandleden en zijn excessieve alcoholgebruik tijdens live-optredens (geciteerd “his behaviour and playing became erratic”). Met zijn afscheid viel helaas ook de componist van potentiële hits en gitaar-instrumentals weg. Voor de lopende tournee werd gitarist Jimmy Herring als tijdelijke vervanger ingezet. In 2000 vond nog een andere tragische gebeurtenis plaats. Voormalig bassist Allen werd dood aangetroffen in zijn hotelkamer. Diens mede-oprichter van Gov’t Mule, Warren Haynes werd hierdoor diep geraakt, waarop Gregg hem overhaalde terug te keren naar de ABB. Derek en Warren zouden zich ontpoppen als een gouden koppel.

In 2003 werd, naar achteraf zou blijken, het laatste ABB studio-album “Hittin’ the Note” opgenomen. Het bevat twee juwelen “Desdemona” en “High cost of low living” met Gregg in bloedvorm en waarin Warren en Derek fantastische gitaarsolo’s ten gehore brengen. In 2004 verscheen een DVD “Live at the Beacon Theatre” met de beste songs uit de hele historie en van het recente studio-album plus een prachtige versie van Sam Cooke’s “A change is gonna come”. In de persoonlijke sfeer was alles nu veel beter in balans en, zoals een songtitel van het allereerste album, “Trouble No More”.

In 2009 wordt het 40-jarige jubileum groots gevierd met concerten in het inmiddels tot thuisbasis omgedoopte Beacon Theater in New York. Daarvan is ook een DVD verschenen met als titel ABB 40”, met daarop alle de nummers van de eerste twee studio-albums in de oorspronkelijke volgorde. Van een reeks concerten in 2011 in hetzelfde theater werd nog een CD uitgebracht “One Way Out”, met daarop vooral nummers van het laatste studio-album, maar in een langere versie dan op de DVD 7 jaar daarvoor. Dit zou het laatste officiële live-album van de ABB blijken.

Gregg tobde al lang met ernstige leverkwalen, cirrose, hepatitis-C en uiteindelijk ook leverkanker. Inderdaad is hier van toepassing “High cost of low living”, immers voor verslaving aan heroïne, cocaïne en nog meer alcohol verbleef hij meer dan 10 keer in een afkick-kliniek. In 2010 was zijn toestand zo verslechterd dat hij een levertransplantatie moest ondergaan waarna een lange herstelperiode volgde. Eric Clapton had de ABB al eerder uitgenodigd voor het Crossroads guitar-festival, pas in 2013 konden ze daar ook aan deelnemen. Ondanks zijn lichamelijke sores begon Gregg in 2011 met de opnames van een nieuw solo-album “Low Country blues”. De vertolkingen van country-blues songs als Sleepy John Estes’ “Floating Bridge” en Skip James’ “Devil Got My Woman” klinken zeer authentiek, reden waarom het album een Grammy Nomination kreeg. In 2012 kreeg de ABB een “Lifetime Archievement Grammy” (prijs voor het volledige oeuvre).

In 2014 vertrok gitarist Warren opnieuw om zich helemaal te wijden aan een solo- carrière, eerst met een jazz-rock-formatie en het album “Man In Motion”, daarna met de bluegrass-formatie Railroad Earth en het prachtige album “Ashes & Dust”. Gelijktijdig vertrok ook medegitarist Derek om samen met zijn echtgenote de Tedeschi-Trucks-band te vormen. Gregg zag zich voor de onmogelijke opgave om gelijkwaardige vervangers te vinden, na het laatste concert in oktober 2014 in het Beacon Theater was de ABB dus feitelijk al opgehouden te bestaan. Daardoor vond hij wel de tijd en de rust voor zijn biografie “My Cross To Bear”.

gregg allman southern blood

In januari 2017 pleegt drummer Butch Trucks op 69 jarige leeftijd zelfmoord. Hij was de enige, naast de bandleider, die vanaf het begin en in elke episode trouw bleef aan de ABB. Gregg was zich er toen al van bewust dat zijn einde naderde, niettemin slaagde hij erin zijn laatste solo-album “Southern Blood” af te ronden. Op 27 mei 2017 kwam hij op 69 jarige leeftijd te overlijden, daarmee kwam er definitief een einde aan de ABB. Hij werd begraven op Rose Hill Cemetery in Macon Georgia zoals, bijna een halve eeuw eerder, zijn broer Duane en bassist Berry.

Van de originele bandleden zijn thans alleen Jaimo en Dicky nog in leven. Dicky heeft september 2018 een CVA gehad die hij wonderwel te boven kwam, hij speelt zelfs weer “Ramblin man”. Op 26 maart 2019 werd “In memory of the ABB – 50 years ago” groots gevierd met alle associates verzameld in the Big House (ABB- museum) in Macon Georgia. De zonen Devon Allman, Duane Betts en Berry Oakley Jr. zetten de “Southern Blood” traditie gelukkig voort onder de naam “Allman-Betts Band”.

Bronnen:
Website: www.AllmanBrothersBand.com
Wikipedia: Allman Brothers Band en van (ex-)bandleden afzonderlijk.
Biografie: My Cross To Bear – Gregg Allman.
Info’s: alle hoezen van CD’s en DVD’s.
Interviews: met (ex-)bandleden op DVD’s en op YouTube.

Bernardo