Recensie: Steve Dawson – Lucky Hand

Steve Dawson – Lucky Hand
Format: CD – Vinyl / Label: Black Hen Records
Releasedatum: 15 juni 2018

Tekst: Fons Delemarre

Soms word je onverwacht op het verkeerde been gezet, om vervolgens te struikelen en te vallen. Zo ging dat bij het beluisteren van ‘Lucky Hand’, de nieuwe cd van de Canadese platenbaas Steve Dawson (Black Hen Records).
De instrumentale opener The Circuit Rider Of Pigeon Force had eigenlijk The Circuit Rider Of Penguin Force moeten heten, gezien de ondubbelzinnige verwijzing naar de stemmige instrumentaaltjes waar Simon Jeffe’s Penguin Cafe Orchestra ons jaren mee verblijd heeft. Ook Jim Gehdi heeft zich daardoor laten inspireren op zijn album ‘A Hymn For Ancient Land(zie recensie elders op deze website).
Bij Dawson blijkt dit nummer het eerste te zijn van in het totaal tien instrumentale nummers. In eerste instantie is dat even schrikken, want Dawson maakt prachtige, vaak meeslepende en invoelende gezongen nummers. Luister maar eens naar zijn andere werk. Van de schrik bekomen en de mind gereset blijkt dat ‘Lucky Hand’ een prachtig album is, waar Dawson en zijn kompaan Jese Zubut (viool en arrangementen) zich meesters tonen op snaren. Gitaren in alle soorten, maten en stemmingen krijgen regelmatig creatieve ondersteuning van strijkers (cello, viool) en incidenteel ook van mondharmonica, trombone, klarinet en Franse hoorn. Dawson: “We recorded this album in Vancouver, with all of us playing together live, using vintage mics in a big room. It was me facing the quartet, which was in a semi-circle in front of me. I’ve never done anything like that before. We just played the pieces until we got it. The challenge was to get a good performance from me while the strings were getting through their intricate parts. Everyone was sweating a little!”
De naam van acoustic guitarwizzard Leo Kottke komt al snel boven drijven, maar Dawson doet, met name door de gebruikte arrangementen, zijn eigen akoestische ding. De opnames klinken als een klok, dat kun je wel aan Dawson overlaten, die ook de albums van labelgenoot Jim Byrnes produceert. De strijkers en de fraaie arrangementen zijn op vijf van de tien nummers te horen. Maar er is meer dan alleen maar strijkers en gitaren.
Op Bentonia Blues gaat Dawson op national steel guitar een spannend duet aan met mondharmonicaspeler Charlie McCoy en op Little Harpeth strijden zijn gitaar en de mandoline van John Reischman om het hoogste woord. Dawson verwoordt wat hij wilde met ‘Lucky Hand’ als volgt. “What comes out for me is music that is inspired by people like Mississippi John Hurt, Skip James, Chet Atkins, Tampa Red, and up through people like John Fahey and Leo Kottke. After that, acoustic guitar music kind of went off the rails for me, so I like to explore those kinds of players and find it all inspiring.”
Het maakt ‘Lucky Hand’ een boeiend album. Wat wil je ook, als de muziek een kruisbestuiving is van het werk van Leo Kottke, Ry Cooder en The Penguin Cafe Orchestra… Dat er hier en daar een vleugje Bill Frisell doorklinkt maakt ‘Lucky Hand’ nóg mooier. Na een paar keer luisteren mis je de zang niet meer.


Tracks:
01. The Circuit Rider of Pigeon Force
02. Bentonia Blues
03. Bone Cave
04. Hale Road Revelation
05. Old Hickory Breakdown
06. Little Harpeth
07. Lucky Hand
08. Hollow Tree Gap
09. Lonesome Ace
10. Bugscuffle

Website: Steve Dawson

8 juni 2018|Categories: Recensies|Tags: |0 reacties

We horen graag je mening! Voeg reactie toe