Qeaux Qeaux Joans

In gesprek met Richard van Bergen

Tekst: Nineke Loedeman

Al 30 jaar laat hij zich inspireren door verschillende stijlen muziek. Rootsgitarist Richard van Bergen is dan ook van alle markten thuis, en dat bewijst hij regelmatig op de binnen- en buitenlandse podia. In de loop der tijden heb ik Richard in veel verschillende bands gezien en gehoord, en iedere keer ben ik weer onder de indruk van de muzikaliteit van deze uiterst sympathieke man. De hoogste tijd voor BluesMagazine om hem te vragen naar die afgelopen 30 jaar…

We spreken elkaar enkele dagen na het benefietoptreden van De Nije Live Stichting, in Metropool, Hengelo. Hij speelde daar, zowel met de relatief nieuwe formatie Qeaux Qeaux Joans alsook met de The Shiner Twins, de band die Richard samen met Jack Hustinx in 2002 is begonnen.

Hoe is het allemaal begonnen voor je, dat gitaarspelen?
“Als zeventienjarig jochie was ik alleen maar bezig met m’n eerste liefde: samen met een kameraad het opknappen en oppimpen van crossbrommers, waarmee we dan gingen crossen in het bos. Op een gegeven ogenblik werden de hele handel gestolen, en alles was weg. Toen was er dus geen hobby meer over en dan ga je iets anders bedenken om te doen. Tja, mijn oudere broer luisterde toen veel naar BB King’s Live at The Regal, John Mayall & The Bluesbreakers en meer van de muziek van die tijd. Ik kreeg daar natuurlijk een hoop van mee, via hem. Maar het was uiteindelijk het nummer Papa Was a Rolling Stone, van de Temptations (met die wah-wah erin), wat mij triggerde om zélf muziek te gaan maken, en zelf gitaar te gaan spelen. Met het Ted Oberg-instructie-gitaarboek op schoot, begon ik te oefenen en te oefenen…Ach, als het dan lukt, ga je bandjes vormen met vrienden. Waarbij je alles zelf uitzoekt, ieder akkoord en iedere greep. Dan draaiden we een singletje op lage toeren, want dan kon je goed horen hoe het precies in elkaar stak. En maar blijven oefenen… Na mijn studietijd aan de Pedagogische Academie pielde ik, samen met twee gelijkgestemde vriendjes eindeloos op de gitaar. Fingerpicking, akoestisch, alles deden we. Eigenlijk moest ik dienst in na mijn studie, maar door te weigeren kreeg ik vervangende dienstplicht, in de vorm van groepsleider in een instituut voor meervoudig gehandicapten. Dat hield ook in dat ik regelmatig slaapwachtdiensten draaide. En soms, als het rustig was, bracht ik dan de nachten door met het luisteren naar Muddy Waters en Howlin’ Wolf. Die 30-40-50-er jaren blues ben ik altijd mooi blijven vinden. Toen en nu nog steeds…”

Wat betekent Freddie King voor je?
“Nou ja, Freddy King is, samen met Ray Charles, een groot voorbeeld voor mij, zeker qua zang. Ook een belangrijke invloed heeft BB King op me gehad, en dan vooral zijn vroegere werk. Natuurlijk ook die andere King, Albert King. Dat was een man die maar een paar licks nodig had, en die daarbij een ongelooflijk vette sound creëerde en met heel veel gevoel speelde. Grappig, maar als je veel naar Albert luisterde, dan wist je altijd hoe hij een nieuw nummer ging spelen. Hij was, zeg maar, prettig voorspelbaar in zijn gitaarspel. En daar is niets mis mee, eigenlijk best wel aangenaam. Het gaat er tenslotte om of iets goed is en met veel gevoel gespeeld wordt, want niets is zo saai als slecht gespeelde blues.”

Wat vind je van de hedendaagse invloeden?
“Een goede vriend van me zei ooit: “ Hoe goed ik de hedendaagse bluesmuziek ook vind, ik koop geen bluesmuziek meer van ná de vijftiger jaren, want wat is er nog na een Muddy Waters of een T-Bone Walker….” en daar zit natuurlijk wel wat in. Zelf zie ik het liefst dat muzikanten hun eigen ding doen, maar dan wel met die invloeden van vroeger, waarbij ik overigens zelf wel van een gemeen rauw randje houd. Muzikanten als een John Mooney, die op zijn album Against The Wall zijn rauwe delta blues verweeft met invloeden van New Orleans ritmes. Hij was zeker mijn inspiratie voor Rootbag. Maar ik hou zeker ook van nieuwe gasten als een Gary Clark Jr. die, duidelijk beïnvloed door Jimi Hendrix, een lekkere, wat rauwe stijl heeft ontwikkeld. Een stijl met een beetje rhythm & blues, en een beetje blues. Maar al zijn sommige muzikanten technisch nóg zo goed, en steekt het geheel perfect in elkaar: het belangrijkste is en blijft of muziek, in welke vorm dan ook, me raakt. Dat kan zijn dat je er kippenvel van krijgt, of tot tranen toe geroerd raakt, zelfs er misschien door geïrriteerd raakt. Het gaat allemaal om het gevoel.”

Richard oogt een druk man. Naast zijn baan als onderwijzer, speelt hij in diverse bands: Rootbag, de Shiner Twins, en valt daarnaast regelmatig her en der in. Soms voor eenmalige gigs of soms voor wat langere tours. Sinds enige tijd maakt hij deel uit van de steeds populairder wordende band Qeaux Qeaux Joans, met wie hij momenteel een succesvolle tour door het Nederlands zalencircuit maakt.

Je speelt, en hebt gespeeld in diverse bands en in verschillende hoedanigheden, maar altijd met zichtbaar veel enthousiasme en passie. Hoe kun je alles nog combineren, werk en muziek?
“Ik werk 3 dagen in de week, want alleen van de muziek leven, is maar voor weinigen weggelegd. Zeker als je de keus maakt om alleen te spelen wat je leuk vindt. Ik heb met groten als Roscoe Chenier en Byther Smith gewerkt. Hoogtepunt uit mijn carrière was toch wel in Austin, Texas waar Jack (Hustinx) en ik een uitverkocht Antone’s platspeelden met soulzanger Malford Milligan. Ik heb eigenlijk altijd in diverse bands en formaties gespeeld, zo ben ik ooit Rootbag begonnen met Dick Wagensveld op bas en Jeroen Goossens op drums. De Shiner Twins, met Jack Hustinx, en nu met Jody van Ooijen en Roelof Klijn bestaat ook al ruim 10 jaar. Daarbij wordt ik regelmatig gevraagd om in te vallen, zoals vorig jaar door Lightnin’ Guy voor zijn Hound Dog Taylor tour, het jaar ervoor met de Sultans of Slide of zoals laatst weer voor een concert van Big Monti Amundson. Geweldig leuk en afwisselend dus om te doen, en altijd verrassend. Wat ik zelf erg belangrijk vind, is de menselijke interactie in een band, zowel naar elkaar als naar het publiek. Ik heb er moeite mee als iedereen maar iets voor zichzelf staat te doen, of een onderling wedstrijdje houdt van “kijk mij eens even goed staan te spelen?” Inderdaad speel ik nu al weer geruime tijd met Qeaux Qeaux Joans, in een wat andere stijl van muziek, en zeker in een andere hoedanigheid. Want een andere passie van mij is, om aan een heel mooi liedje, alleen maar dát toe te voegen, wat het nodig heeft. Dus de zanger/ zangeres de kans geven om dat liedje goed te brengen. Ik deed dat overigens voor het eerst in 1995, in een band met singer/songwriter JW Roy. Bijzonder leuk was dat.”

Lightnin' Guy @ Blues Peer 2012

Het is inmiddels twee jaar geleden sinds het overlijden van maatje en medemuzikant Dick Wagensveld. Wil je daar iets over zeggen, wat voor een impact dat op je gehad heeft?
“Weet je, Dick en ik kenden elkaar 27 jaar, en naast het feit dat ik de meeste bandjes met hem speelde, was hij ook een hele goede vriend. Altijd gingen we samen naar concerten, waarbij ik hem dan vaak ophaalde met m’n bestelautootje, tja noem maar op. Dat was ineens voorbij. Het gebeurde natuurlijk ook heel heftig: tijdens een optreden van Rootbag, notabene tijdens het nummer I Saw The Light (Hank Williams), overleed hij op het podium. Echt krankzinnig. We hadden net de cd afgerond van de Shiner Twins, en de cd-presentatie stond al gepland. Maar Dick’s vrouw stond erop, dat die presentatie doorging. En dat gebeurde ook, maar ik kan niet beschrijven hoe heftig dat voelde. Bij Rootbag nam Andert Tijsma het stokje over en bij de Shiner Twins was dat Roelof Klijn. Twee goede bassisten, die beiden met hun eigen stijl en op hun eigen manier, de draad weer oppakten. Maar nog steeds voelt het gek, en bij vlagen komt het ineens weer binnen. Bijvoorbeeld als ik langs zijn huis rijd, richting een optreden…”

Wat is volgens jou veranderd de afgelopen tijd, zeg 10-20 jaar, binnen de blues/roots muziek?
“Blues is naar mijn idee geen echt levende muziek meer, tenminste niet in de trant van de slavernij en de erbarmelijke leefomstandigheden van die tijd. Hoewel je van vergelijkbare omstandigheden zou kunnen spreken met de tegenwoordige crisis. Natuurlijk is er veel veranderd, ik constateer wel dat er weinig zwarte blues is. Op festivals als Moulin Blues en BRBF zijn nog nauwelijks zwarte bluesartiesten te zien, omdat Blues in de zwarte gemeenschap gewoon minder leeft op dit moment. Terwijl het in de 50er jaren alleen maar werd gespeeld door de afro-Amerikanen. De Blues heeft altijd weer iets of iemand nodig die er bovenuit steekt. Zoals veel dingen gaat het in golfbewegingen, toentertijd met de British Invasion, met mannen als Eric Clapton, John Mayall en Peter Green. Gevolgd in de tachtiger jaren met een Stevie Ray Vaughan, wat een fantastische vernieuwing was dat. Tegenwoordig zijn mensen als een John Mayer, Doyle Bramhall II en Gary Clark Jr. maar ook de Black Keys, meesters in het samensmelten van hun eigen muziek met de blues. Wat ik belangrijk vindt is dat jongen mensen geïnteresseerd worden voor oorspronkelijke muziek. Je ziet ook wel weer dat bands als JJ Grey & Mofro, een verfrissende, ook voor jongere mensen aantrekkelijke, stijl van muziek brengen. Muziek uit het hart, pure en eerlijke rootsmuziek. Kijk alleen maar naar de populariteit van bluegrass en folkbands, zoals Mumford & Sons. Daar is blijkbaar gelukkig toch weer ruimte voor. Van de radiozenders hoef je het niet te verwachten. Als er dan een keertje blues wordt gedraaid, is het om 03.00 uur ‘s nachts!“

Tot slot Richard, wat zijn jouw verdere plannen ?
“Kijk, ik kan niet zonder deze stijl van leven. Ik speel in verrekte leuke bands, met leuke mensen. Eigenlijk zou ik nog graag de CD van Rootbag uitbrengen. Toen Dick nog leefde hebben we 12 nummers min of meer afgekregen. Maar na zijn overlijden is het er nog nooit van gekomen, daar verder mee te gaan en het uit te brengen. Ach plannen, plannen… Het liefst wil ik gewoon fijne muziek met fijne mensen maken, voor een publiek wat er écht naar wil luisteren.” Dat brengt ons onvermijdelijk op de toename van gepraat van bezoekers tijdens concerten. “Het wordt alsmaar en erger, waarbij het vooral in Nederland een behoorlijk probleem aan het worden is. En geloof me, naast dat het gewoon respectloos is, is het uitermate frustrerend en uitputtend. Ik merk het altijd meteen, want als ik dan ’s nachts weer thuis kom na zo’n avond, ben ik echt kapot. Terwijl je normaliter van een lekker concert juist energie krijgt van je publiek, en nog lang erna vol adrenaline zit. Ik weet dat veel artiesten het afschuwelijk vinden, dat het blootgeven van hun ziel en zaligheid zó overstemd wordt door rumoerige bezoekers. Zelfs een Seasick Steve, die toch de wat ruigere blues maakt, springt uit zijn vel als er geouwehoerd word. Hij zet zijn show stil en veegt de herrieschoppers bijkans de tent uit. Maar uiteindelijk is dit natuurlijk te gek voor woorden. Het is echt een dramatische ontwikkeling.”

Met dit laatste onderwerp om over na te denken, besluiten we dit bijzonder prettige gesprek, en namens BluesMagazine bedank ik Richard van Bergen hiervoor .