In gesprek met … Jan J. Scherpenzeel
Tekst: Gerrit Harmsen

Volgens mij was het in de zomer van 2010 dat ik op het buitenpodium van BluesinWijk totaal werd overdonderd door de 2de band van de dag. Voor het verslag van deze dag tekende ik o.a. het volgende op: ‘Wat de heren vervolgens laten zien is van aparte klasse in de Nederlandse bluesscene. Met een prima afwisseling tussen slowblues en meestampers laat de band een geweldige indruk achter. Als er één band is die het verdient om op Ribs&Blues 2011 te spelen dan is het de Twelve Bar Blues Band. En dan graag midden op de dag, want dit is de absolute top in onze kleine landje.’
Twee jaar later stel ik mijzelf regelmatig de vraag hoe het in hemelsnaam mogelijk is dat deze 5 heren nog nooit op het podium van Ribs&Blues hebben gestaan? Een prima aanleiding om eens wat vragen te stellen aan frontman Jan J. Scherpenzeel, alias JJ. Sharp.

Bluesmagazine: Na jullie nieuwste release heb je al veel interviews voor allerlei radioprogramma’s gegeven, zoveel lokaal als nationaal. Kost dit niet veel energie en vallen velen niet in herhaling? 
JJ. Sharp: Natuurlijk is het soms een opgave, zeker als het ver weg blijkt te zijn. Als mensen echter belangstelling tonen, vind ik dat je dat positief moet beantwoorden. En elk beetje aandacht voor de Twelve Bar Blues Band is meegenomen. Als wij op de radio gedraaid willen worden, mag daar van onze kant best wat tegenover staan.

Bluesmagazine: Krijg je dan niet veelal dezelfde vragen in een paar maanden tijd?
JJ. Sharp: Nou, daar zeg je wat. Zeker bij de kleinere stations worden wel eens vragen gesteld waarbij je dan merkt dat ze eigenlijk niet goed weten wat wij doen, of ook niet precies weten wie ik eigenlijk ben en wat ik allemaal heb gedaan. Desondanks blijft echter fier overeind dat ik veel respect heb dat ze aandacht aan ons willen besteden. Ook de kleinere stations leveren een bijdrage aan de promotie van de blues en dat kan ik alleen maar toejuichen.

Bluesmagazine: Op welke manier ben je in aanraking gekomen met muziek en uiteraard de blues?
JJ Sharp: Vroeger op de lagere school had je muziekles (toen nog wel) en dan moest je in de klas iets zingen om een cijfer te krijgen. Ik vond dat vreselijk, maar moest er toch aan geloven. Met een rood hoofd en zachte stem zong ik dan een liedje. Mijn leraar zei ‘Jan je hebt een mooie stem!’ Ik had toen nooit durven dromen dat het zingen op latere leeftijd zo’n belangrijke plaats in mijn leven zou gaan innemen. Tegen het eind van de lagere school mocht ik op accordeonles. En dat wilde ik net zo goed  kunnen als mijn oudere broer Jur.
Ik heb heel wat jaren les gehad en kon een aardig deuntje spelen. Toen ik een jaar of veertien was, begon ik mij er een beetje voor te schamen, accordeon spelen was echt niet meer stoer op die leeftijd. Mijn broer Jur had ook een gitaar, maar daar mocht ik niet aanzitten. Wel mocht ik meezingen als hij daar wat op pingelde. Mijn andere broer Ko (overleden op zeer jonge leeftijd) zat ook op gitaarles en had zo’n mooi boekje waar alle grepen in stonden en hoe je de vingers op de snaren moest plaatsen. Stiekem, wanneer hij er niet was, ging ik met dat boekje en de gitaar aan de slag en algauw kon ik mijzelf begeleiden op de gitaar. Mijn eerste elektrische gitaar, een goedkoop rotding, heb ik overgenomen van een jongen op de grafische school. Al snel daarna, ik was toen veertien of vijftien jaar, hebben we met een stel vrienden een bandje opgericht. Niemand wilde zingen, dus ik nam ik die taak op me. Zo rond mijn 17e kreeg ik een lp van Taj Mahal, het was een dubbelalbum: Giant Step / De Ole Folks At Home. Voor het eerst dik kippenvel en muziek die mij diep van binnen raakte. Dat wilde ik ook! Vanaf die tijd ben ik me echt gaan verdiepen in de blues en dan kom je natuurlijk al snel uit bij mensen als Muddy Waters, Howlin’ Wolf,  Albert en Freddy King, enzovoort. Omstreeks 1971 had ik mijn eigen bluesband. Na verloop van tijd ben ik mij steeds meer op de zang en bluesharp gaan richten. Vanaf 1974 speelde ik met de Southern Rock band MOUNTBATTEN waar we veel succes mee hadden en algauw als de Nederlandse Allman Brothers Band bekend stonden. Vanaf 1985 tot 1998 was ik frontman van de Jump-blues-band The Blazing Aces waar we 1 LP en 3 CD’s mee gemaakt hebben. Omstreeks 1997 maakte ik deel uit van The Super Session Blues Band met o.a. Ted Oberg en Wil Sophie. Deze formatie werd later OBERG.

Bluesmagazine: Na OBERG is er ongeveer een jaar of 3 radiostilte geweest. Wil en kan je iets vertellen over de achterliggende oorzaak voor deze stille jaren?
JJ. Sharp: Ik geloof dat de meeste dat wel weten.

[stilte] Ik merk dat dit toch wel lastig is voor me. Maar okay…, naast gezondheidsproblemen speelde er in de privésfeer ook het een en ander. Dat was echter dusdanig zwaar voor me dat ik eigenlijk helemaal niets meer wilde met muziek of wat dan ook. Uiteindelijk kwam ik erachter dat niet meer spelen de verkeerde keuze was en ben ik weer wat contacten gaan leggen. Kees kende ik vaag van sessies en hij was zelf net gestart met 12BBB. Na mijn mail ben ik dus daar terechtgekomen. Destijds is het vooral een stap geweest om weer lekker muziek te gaan maken. De ambitie om uit te groeien tot wat we nu zijn had ik persoonlijk echter niet. Alleen…., het muziekbloed kruipt waar het niet gaan kan. Gaandeweg werd steeds meer duidelijk dat we als band konden groeien en een acceptabel niveau konden neerzetten. Langzaam kwam het grote plezier en de energie weer terug om me volledig te geven voor de blues. En als ik dat te pakken heb, geef ik alles wat ik heb. Tegenwoordig ben ik elke dag bezig voor de band. Promotie maken, contacten leggen, nummers schrijven, ga zo maar door. Achteraf is het gewoon een goed besluit geweest om na 3 jaar niks doen de draad weer op te pakken. Inmiddels heb ik nu al weer 7 jaar een fantastische relatie met mijn huidige partner Saskia, die ook mijn steun en toeverlaat is geweest in de zware periode dat ik die vreselijke ziekte kreeg waar ik gelukkig goed ben doorgekomen… Hoewel we het niet altijd met elkaar eens zijn houdt ze mij steeds bij de les en zorgt zij ervoor dat ik scherp blijf voor de zaken die nodig zijn. Beter kan ik me niet wensen. Ik ben dan ook een gelukkig man.

Bluesmagazine: Life Is Hard is het vierde album in 7,8 jaar tijd. Is het ook daadwerkelijk jullie streven elke 2 jaar een nieuw album af te leveren?
JJ. Sharp: Ja, we vinden dat je constant bezig moet zijn met nieuwe dingen. Het is verfrissend om steeds weer nieuw materiaal te kunnen spelen. Daar zullen we dus wel aan vast blijven houden. Bovendien blijf je op die manier ook in de markt en heb je de fans steeds iets nieuws te bieden.

Bluesmagazine: Over jullie eigen nummers: zijn er naast Kees en jijzelf nog meer bandleden betrokken bij het schrijfproces en hoe ziet dat eruit?
JJ Sharp: Kees en ik schrijven voornamelijk de nummers. Ik schrijf de teksten en soms de melodie. De instrumentele inbreng komt voor het grootste deel van Kees. Als we iets hebben waarvan we denken dat het iets is, gaan we de oefenruimte in. Daar merken we dan wel of het pakt en het gevoel goed is. Vandaaruit hebben de andere bandleden tijdens het repeteren en spelen natuurlijk de ruimte om eigen ideeën aan te dragen. Het Twelve Bar Blues Band geluid is er echter niet voor niets, dus de basis blijft bij Kees en mij liggen. De afgelopen jaren blijkt dit prima te werken, dus wat mij betreft moeten we het ook maar zo houden.

Bluesmagazine: In hoeverre zijn jou teksten autobiografisch?
JJ Sharp: Soms wel, vaak put ik natuurlijk ook uit mijn ervaringen maar vaak zijn de teksten pure fictie.

Bluesmagazine: Zijn er nummers bij die voor jou heel speciaal zijn?
JJ. Sharp: Ik weet eigenlijk nooit of ik dit nu wel of niet moet vertellen, maar vooruit, ik denk dat het  niet zoveel kwaad kan. Op onze laatste Cd, Life Is Hard, staat Living In Your Own Cell. Ik heb het geschreven voor iemand die mij zeer dierbaar is en die een heftige strijd gevoerd heeft en voert om van de drugs af te komen en te blijven. Dat gaat nu geweldig goed en dat maakt dat ik ongelooflijk trots ben op die gast. Het is een behoorlijk heftige periode geweest en ik ben dan ook blij dat alles op dit moment goed gaat. Als ik op het podium sta, zijn er nog steeds momenten dat de emoties bij dit nummer door mijn hele lijf trekken. Dan merk ik hoeveel het voor me betekent dat de zaken er weer rooskleurig voorstaan. [de recorder gaat even uit tot we weer bij de muziek komen]

Bluesmagazine: Als medecomponist is er een prominente rol voor gitarist Kees Dusink. Randy Pears blijkt echter op een onopvallende manier opvallend goed te zijn. Wanneer gaat hij wat meer ruimte krijgen om ook eens zijn solokunsten te laten zien aan het publiek?
JJ Sharp: [Lachend] Fijne vraag weer. Vergis je niet, je zegt niet voor niets onopvallend OPVALLEND goed. Zijn begeleiding is zeker sinds het laatste album zo vreselijk belangrijk geworden voor de band. In de huidige sound heeft hij echt een belangrijke plaats gekregen. En ja, we hebben één hoofd leadgitarist en dat is Kees. Zo zijn de afspraken en dat zal zo blijven. Neemt niet weg dat je wel gelijk hebt en hij wat meer ruimte zo mogen krijgen. Ik zie echter al een ontwikkeling. Er zijn en komen steeds meer momenten waar we naar de twingitaar toegaan. Het zal me niet verbazen als je dit de komende jaren ook op eventuele nieuwe opnames gaat terughoren. Kijk, onze sound bestaat nu eenmaal voor een groot gedeelte uit wat Kees en ik inbrengen. Echter, zonder de ritmesectie van Patrick, Marcel en Randy zijn Kees en ik ook nergens. Dus geef ze a.u.b. de credits die ze verdienen.

Bluesmagazine: Ik heb me altijd afgevraagd waarom jullie als beste band van 2010 niet als afgevaardigde naar Memphis zijn gegaan. Dat was als 2010 award winnaar toch een logische keuze geweest?
JJ Sharp: Ten eerste: het initiatief om een foundation te starten is natuurlijk geweldig. En ten tweede: ik kan ik me jou vraag wel voorstellen. Destijds was er in Nederland nog geen Challenge en is er gekozen voor King Mo. Zo gaan deze dingen. De laatste jaren zie ik wel progressie bij DBF. De winaars krijgen gegarandeerd enkele optredens waaronder op Moulin’ Blues in Ospel. Er wordt getracht ook financieel wat te ondernemen, zodat de winaars de reis naar Memphis makkelijker kunnen bekostigen. Dus er zijn best wat stappen gezet. Als je er als stichting echter bent om de blues in Nederland te promoten en bands wil stimuleren, zet ik wel mijn vraagtekens bij de nominaties voor beste vocalist, gitarist enzvoort. Kees zal het me niet in dank afnemen, maar hij wordt 3 jaar achtereen genomineerd. En datzelfde zie je ook terug bij andere nominaties. Zijn er dan echt geen andere kandidaten?

Bluesmagazine: Jullie eerste 2 Cd’s zijn gesponsord door Blue Ears Radio. Hoe is dat bijvoorbeeld gegaan bij het laatste album Life Is Hard?
JJ Sharp: De eerste cd hebben we zelf gefinancierd uit de optredens. Dit ondanks dat we een platendeal hadden bij Tramp Records. Wel kregen we inderdaad steun van Blue Ears Radio die ons destijds vooral heel erg veel hebben gedraaid. Vervolgens zetten we van elk verkochte plaat iets apart en dit gebruiken we dan weer om de volgende uit te kunnen brengen. Sinds Key To Your Heart hebben we alles in eigen beheer genomen. Het laatste album is aardig in de papieren gaan lopen,  maar we hebben wel een schitterend product. Het in de markt zetten en de verkoop blijkt net zo goed of misschien wel beter te gaan dan voorheen. En ook nu zijn we overal te horen,  tot in Amerika aan toe.

Bluesmagazine: Maken jullie, en eventueel op welke manier, gebruik van de sociale media en bijvoorbeeld Spotify ter promotie van de band en muziek?
JJ. Sharp: Volgens mij zijn we over heel te wereld te beluisteren en te downloaden. Natuurlijk maken we gebruik van sociale media zoals Facebook; alle beetjes helpen. Van Spotify en dergelijke zouden we eigenlijk meer gebruik moeten gaan maken, hoewel onze eerste 2 albums daar wel op terug te vinden zijn en te downloaden zijn. Wie ze er echter op heeft laten zetten weet ik niet, want wij zien daar in ieder geval geen cent van terug.

Bluesmagazine: Wat zijn  je indrukken van de huidige Nederlandse bluesscene?
JJ Sharp: Er is een aantal zeer goede bands die behoorlijk aan de weg timmeren, zoals bijvoorbeeld King Mo, Veldman Brothers en Black Top en nog een aantal zeer goede bands. De laatste tijd vind ik trouwens ook die jongens van BluesMotel erg leuk bezig. Hopelijk kunnen ze zich blijven ontwikkelen. Wie ik ook heel goed vind is Bas Paardekooper. Speelt wel een ander type blues dan wij maar die jongen kan wel lekker spelen. Die gaat er ook zeker komen. De meeste bands onderscheiden zich mijn inziens echter niet. Ik vind dat je toch een eigen geluid moet creëren en vooral je eigen nummers moet maken. Naast muziek wil ik echter ook wat zien op het podium. Passie, emotie en trachten om contact te krijgen met het publiek. Dus graag ook wat uitstralen.

Bluesmagazine: Worden een aantal van deze bands niet vreselijk onderschat t.o.v. bands uit het buitenland?
JJ Sharp: Misschien heb je daar wel een punt. Bij promoters en organisatoren lijkt dit nog steeds zo. Soms lijkt het spelen van 3 akkoorden blues, en als ze ook uit het buitenland komen is het al genoeg om op het podium te mogen staan. Ik heb echter de indruk dat dit bij het Nederlandse bluespubliek wel is achterhaald. En ook de bookers kunnen zo langzamerhand niet meer om deze bands heen, hopelijk zitten wij daar dan ook bij. Dat zou fantastisch wezen.

Bluesmagazine: Als laatste dan Jan, hoe kan het toch dat jullie nog nooit op Ribs&Blues hebben gestaan?
JJ Sharp: Tja, schiet mij maar lek, ik heb echt geen idee. Ik denk dat we ons inmiddels toch wel hebben bewezen, maar kennelijk blijven ze ons over het hoofd zien voor het festival zelf, want we hebben al wel in Raalte gespeeld. Natuurlijk…we willen daar heel graag spelen, dus wie weet bij dezen.

Rest mij vanaf deze plek Jan J. Scherpenzeel nog te bedanken voor zijn bijdrage en hartelijkheid tijdens het interview. En ook Pemmy Larmené die ons in gesprek zijnde wist vast te leggen.