levon helm

Met Levon Helm heeft de muziek een man verloren die de geboorte van de rock ’n roll heeft aanschouwd, zelf aan de wieg stond van wat wij tegenwoordig ‘Americana’ noemen, en pionierde als zingende drummer. De onvermoeibare podiumtijger moest het hoofd buigen voor kanker, en is 71 jaar geworden.

Tekst: Dietmar Terpstra

De in mei 1940 geboren Mark Lavon Helm kreeg zijn eerste gitaar toen hij negen was, en een paar jaar later bouwde hij voor zijn zus Linda een staande bas van een wastobbe. Samen veroverden zij de podia in en rond hun geboortestad Elaine, in de staat Arkansas, en wonnen zij menig talentenjacht, mede dankzij Levons innemende podiumpersoonlijkheid.
Ondertussen lette Levon goed op. Hij luisterde nauwkeurig naar de radioshows van Sonnyboy Williamson, bezocht shows van Carl Perkins en Johnny Cash, maar de vlam sloeg in de pan toen hij Elvis zag optreden, met DJ Fontana op drums.

De rock ’n roll explodeerde in Levons gezicht, en al snel vormde de jonge Helm zijn eigen band, The Jungle Bush Beaters, en terwijl Jerry Lee Lewis en Little Richard overal in het land de jeugd de kop knettergek maakten, leerde Helm langzaam maar zeker het vak, zeker nadat hij naast mondharmonica en gitaar ook de drumstokken ter hand had genomen. Al snel deelde Levon het podium met de legendarische country- en rock ’n roll-ster Conway Twitty, die zag dat de jonge muzikant zijn vak serieus nam.

Het was 1957, en de charistmatische frontman Ronnie Hawkins zocht een band voor een tour in Canada, waar het geld goed was voor een jonge rock ’n rollband. Zijn oog viel op Helm, die zich had ontwikkeld tot een uitmuntend drummer. In Canada vonden de twee de andere bandleden, te weten de volslagen onbekende Robbie Robertson, Richard Manuel, Rick Danko en Garth Hudson. Ronnie Hawkins and The Hawks kregen een platencontract, scoorden een aantal hits en verschenen in American Band Stand van de onlangs overleden Dick Clarke.

Na een paar jaar was de liefde over. Hawkins was een eigenzinnig man die er een strak regime op nahield, en The Hawks hadden het wel min of meer gehad met de tamelijk eendimensionale rockabilly die ze avond aan avond moesten spelen. Ze gingen verder als Levon and the Hawks.

In 1965 was Bob Dylan toe aan verandering. Hij was een grote ster in folk kringen, maar hij wilde wel eens wat meer lawaai maken. Hij recruteerde The Hawks en dook onder in Woodstock, waar de muzikanten al snel naam maakten als The Band. Tot grote ergernis van de traditionele folkies overigens, die al die electrische herrie absoluut niet konden waarderen. Het gerucht doet nog steeds de ronde dat een uitzinnige Pete Seeger backstage met een bijl stond te zwaaien om die vervloekte kabels kapot te hakken, maar dat is waarschijnlijk apocrief.

In Woodstock begint The Band ook zonder Dylan aan eigen repertoire te werken. Dat resulteert in Music From Big Pink, zonder twijfel één van de meest legendarische albums die de popmuziek heeft voortgebracht.

The_Band-Music_From_Big_Pink

Het is een warm mengsel van alle invloeden die de bandleden gedurende ruim een decennium hebben opgedaan, van blues, country, folk en rock in al zijn verschijningsvormen. Wat vooral opvalt zijn de gedurfde arrangementen, de innemende southern drawl van Helm en de ijzingwekkende samenzang. Music From Big Pink bevat klassieke tracks als The Weight, This Wheel’s On Fire en het door Dylan geschreven I Shall Be Released.

Big Pink werd spoedig opgevolgd door een tweede plaat, simpelweg The Band getiteld. Dat was al even briljant als het debuut, met instant klassiekers als Rag Mama Rag, The Night They Drove Old Dixie Down en Up On Cripple Creek. Hierna bracht The Band nog een aantal albums uit, zoals Stage Fright en Cahoots, maar langzaam begon de roem zijn tol te eisen. Robbie Robertson werd door pers en publiek steeds meer bejegend als het genie achter de band en de voornaamste songschrijver. Dat zette kwaad bloed, en het constante touren, het verplicht uitblinken in de studio en het steeds imposantere vormen aannemende wordende chemicaliën-gebruik zetten de bijl aan de wortel van The Band.
In 1976 barstte de bom, en met The Last Waltz zorgde de band voor een knallend slotakkoord. Martin Scorsese filmde de show in Los Angeles, waar collega’s als Muddy Waters, Joni Mitchell, Bob Dylan, Dr. John, Eric Clapton, Paul Butterfield, Ron Wood en beat poet Lawrence Ferlinghetti hun opwachting maakten. The Last Waltz geldt nog steeds als de eerste, en zeker ook als één van de belangrijkste rockumentaries ooit gemaakt.

The Band zal in de jaren daarna nog regelmatig bij elkaar komen en ook nog muziek uitbrengen, maar duidelijk is dat de glorietijd achter de rug is. Robbie Robertson maakt onder eigen naam nog een uiterst interessante soloplaat, de overige bandleden doen min of meer hetzelfde met wisselend succes. Levon Helm trekt zich terug in Woodstock, waar hij in een oude boerderij The Barn begint, en intieme studio annex theaterzaal, waar onder meer The Black Crowes opnemen.

Tegelijkertijd ontwikkelt Helm tot tweemaal toe kanker, hetgeen hem er niet van weerhoudt op te treden met vrienden uit de muziek. Dat resulteert in 2011 in het glorieuze Ramble At The Ryman, waar onder leiding van multi-instrumentalist Larry Campbell en zangeres-mandolinist Amy Helm een all star band optreedt met onder meer John Hiatt, Buddy Miller en Sheryll Crowe in de gelederen.

Levon Helm - Ramble at the Ryman

De band speelt traditionals en Band-hits, en Helm heeft de tijd van zijn leven. Hoewel duidelijk is dat de ziekte hem stemtechnisch parten speelt, drumt hij met zichtbaar plezier alsof zijn leven er van afhangt. Met ogenschijnlijk gemak houdt hij de immense band bijeen.


Ook op Blues Magazine ...