Reba Russel Band
Het Parochiehuis, 24 juni
Banana Peel, 27 juni

Tekst: Antoine Légat

Eind juni trok een orkaan doorheen Nederland en België. Kans is klein dat u er in de media veel van te horen kreeg, omdat de storm zich sporadisch produceerde in kleine blues clubs en cafés en omdat het fenomeen geen slachtoffers maakte, maar niets dan blije gezichten en opgewekte harten achterliet (enkel als er vele doden te betreuren vallen, is het ‘nieuws’) Het verschijnsel bereikte ons vanuit Memphis, Tennessee, een streek gedrenkt in de muziek, zozeer dat het zijn eigen karakter kreeg en als ‘Memphis Blues’ geboekstaafd staat, een stomende variant van de blues waar Al Green een schitterende exponent van was (is)

Toen U2 en BB King er opnames maakten voor het album ‘Rattle And Hum‘ (1987), zochten ze ter plekke en in extremis nog een backing vocaliste, liefst met een hoog stembereik, voor ‘Love Comes To Town‘, dat Bono voor BB schreef, en vonden die in de persoon van Rebecca Evans Russell, ingekort tot Reba Russell, Becky voor de vrienden. Het is haar grootste ‘claim to fame‘, al is haar vocale inbreng in de eindmix beperkt en deed ze sindsdien. In 1992 besloot ze zich nog uitsluitend toe te leggen op de blues en werd ze een geziene figuur in het legendarische Beale Street. Ze werkte samen met grote namen als Jimmy Thackery (overigens een goeie vriend van Reba) en ongemerkt ontwikkelde ze zich tot zangeres buiten categorie.

Dat ondervonden we toen ze enkele jaren geleden, in juni 2007, hier neerstreek met haar band en o.a. in de Banana Peel in Ruiselede en De Steiger in Menen van jetje gaf. Ze kwam nog eens terug waarbij haar optredens afgewisseld werden door concertjes van The Wampus Cats, zijnde de band zonder Reba, zodat ze haar stem enigszins kan sparen tijdens een belastende toer. Dan neemt harp- en keyboardspeler Robert ‘Nighthawk’ Tooms de soulvolle, romige zang voor zijn rekening, al kunnen ook drummer Doug McMinn (één der muzikale zonen van de in blueskringen zeer gewaardeerde Papa Don McMinn, met de band Nightrain en als begeleiders van blueslegende Mojo Buford) en bassist Wayne Russell, Reba’s echtgenoot, meer dan behoorlijk kwelen.

Nu was het al even geleden dat Reba nog in onze contreien te horen was. Er was intussen een zeer gevarieerde cd verschenen, ‘8‘, blijkbaar iets te afwisselend voor Amerikaanse commentatoren, maar voor Europese oren een geslaagde verkenning doorheen bluesland (en meer) Maar we weten dat Reba’s bende op hete kolen zat om hier de boel op stelten te komen zetten. Reba zelf keek reikhalzend neer om weer neer te strijken in de Lowlands, omdat ze de warme ontvangst en waardering van de bluesfans niet vergeten was. Domper op de feestvreugde was dat Robert Nighthawk verstek moest geven om dwingende familiale redenen: het was de eerste maal in ruim twintig jaar dat Reba zonder haar trouwe vriend op toer ging. Dat liet ze niet na bij elk concert te vermelden. De concerten als The Wampus Cats werden dan maar vervangen door gigs van de Reba Russell Band. En dat zouden we geweten hebben!

Het enige getuigenis van de optredens in Roermond (18 juni) en Enschede (19) kwam van de bandleden zelf en die schatten die zeer positief in. Van de Belgische optredens in ontvingen we echo’s van Café ’t Goor in Wuustwezel (23) en lazen we het verslag van het Gompelhof in Mol (24) We hadden het voorrecht het kwartet (gitarist Josh Roberts werd nog niet vermeld) in Het Parochiezaal Heilige Familie in Hamme en de Banana Peel Ruiselede aan het werk te horen en zien, twee concerten die we bij de beste van het afgelopen seizoen rekenen. Wat Hamme betreft, organisator Blues Oan Daa Stoase zag zich verplicht het café in het centrum te verlaten en de meeste optredens gaan nu door in de Petrus Van der Jeugdlaan. Al was dit een gratis optreden toch had het te lijden onder de braderie die die avond in Hamme plaatsgreep. De opkomst was daarom enigszins beschamend, maar Reba liet het niet aan haar hart komen en de band speelde alsof ze voor tienduizend man stonden. Het moet gezegd: de ontvangst door Marc Bouillon en zijn ploeg was naar de beste bluestraditie hartelijk en liet niets te wensen over. Wie er was kan getuigen: de Reba Russell Band bedankte met een geweldig optreden.

Je hebt bands die elke avond trouw dezelfde set afratelen. Niet zo bij de RRB: elk optreden is anders en is zeker geen promotieronde voor de laatste cd. Natuurlijk zijn er songs die weerkeren, maar de volgorde is tekens anders en naargelang de ‘requests‘ en de stemming van de moment worden andere songs ingebracht, wat soms een totaal nieuwe setlist oplevert. Daar heeft de band genoeg repertoire voor. In Hamme stak de band van wal met ‘Spoonful‘ van Willie Dixon (dat de meesten vooral kennen in de versie van Cream) Papa Don’s ‘Some People (Need To be Remembered)‘ illustreerde meteen dat gitarist Josh Roberts, nog immer in zijn vroege twenties, een lange weg heeft afgelegd sinds we hem bij Reba leerden kennen als het veelbelovende jochie dat nog maar net zijn lollipop voor een gitaar had verruild (OK, we overdrijven) De vooruitgang is dramatisch, want gespreid over de twee optredens moeten we vaststellen dat stille Josh niet zomaar een grote bedrevenheid heeft verworven op zijn instrument, maar ook op weg is een eigen blues stijl te ontwikkelen. We dachten meer dan eens aan de evolutie van Derek Trucks, en niet alleen omdat ze beiden zo graag slide spelen.

Almost A Memory‘ schreef Wayne na een ontmoeting met zijn ex, zoals Reba aangaf, waarop onder de weinige aanwezigen enige deining ontstond. ‘No, no, it’s a GOOD song‘ zei ze snel: de tekst maakt inderdaad duidelijk dat Wayne die vroegere relatie verwerkt heeft en een plaats gaf. Overigens een prachtige deun, met een melodie als een standard uit het American Songbook. Ook ‘(Take That Good Man When His) Good Woman’s Gone‘ komt uit ‘8‘ of, hoe de vrijgevochten vrouwtjes het heft in handen nemen en een ‘mannelijke’ rol spelen. Reba pende het samen met vriendin ‘Long Tall’ Sally (‘Six foor two and crazy as hell‘ voegde ze er in Ruiselede aan toe) Eén van Reba’s rolmodellen is Memphis Minnie, die in de vormingsdagen van d eblues zo invloedrijke dame. Op dit ‘In My Girlish Days‘ speelt Doug een straf stukje harp. Prachtig stukje haat-liefde verhouding in Reba’s eigen ‘Gonna Move To Mississippi‘: ‘Nobody gives a damn about me in Tennessee!‘, maar ze meent het niet echt.

Hoogtepunt vinden we het volgend: op elke cd zet Reba minstens één liedje van die bijzondere songsmid Delta Joe Saunders, een kruising van Randy Newman, Chuck E. Weiss en Shel Silverstein. Op ‘8‘ werd dat ‘Say The Word‘ en wat we via de studioversie al vermoedden, wordt bewaarheid. Live is dit een hartenbreker. Hoog tijd dat Delta Joe eens overkomt! In ‘Time To Play’ serveert Josh weer een prachtige solo en met ‘Blues Is Mine‘ reageert Reba op allen die ongegronde kritiek hebben op haar als vrouw en blueszangeres. Ze haalde de inspiratie na een gesprek waar zij het ‘onderwerp’ van was, terwijl niemand wist wie ze was, de ideale manier om roddel te achterhalen. Dat je dan moet horen dat je het recht niet hebt de blues te zingen omdat je niet zwart bent, is wel cru!

Na de pauze speelde ze ons verzoekje, ‘Chinaberry Tree‘, een zware blues waar we nooit genoeg van krijgen. Naar goede gewoonte gingen zangeres en groep compleet tot op het bot in de song die Delta Joe op maat schreef van Reba’s rustige, bescheiden plattelandswoonst. Nieuw hoogtepunt, meteen gevolg door een derde! Zonder overgang begon Josh een solo te spelen, iets wat hij op elk concert schijnt gedaan te hebben. Een collega beschreef het als ‘Deepest and Heavy Conversation with Friend Guitar‘: Josh neemt enkele bekende melodieën uit de Amerikaanse traditie en begint daarrond slide te improviseren. We hebben zo’n vorm van improvisatie nog nooit gehoord: het is een mengeling van technisch vuurwerk en intelligent spelen met en rond akkoorden, waarbij hij grote cirkels beschreef die telkens weer op de grondnoot van de melodie weerkwamen. Ook in Ruiselede kende zulks veel bijval. Voor ons is het ‘voldoende’ om de al te bescheiden maar klaarblijkelijk hardwerkende Josh Roberts bij de grote bluesy gitaristen van dit tijdsgewricht te situeren.

Waynes ‘Red Mississippi Clay‘ is weer zo’n overpeinzing uit het dagelijkse leven: zijn ouders moesten hard werken voor de kost, letterlijk in de modder van de grote stroom. Nog een Willie Dixonsong is ‘You Know My Love (Has Never Died)‘, maar de versie van Otis Rush steekt er met kop en schouders bovenuit. Reba verontschuldigt zich dat ze die uitvoering niet eens kan benaderen. Een mooie hommage aan een grote song en zijn beste interpretatie. Op zo’n betaalde repetitie kan al eens iets meer: ineens zet de groep het bekende ‘Why Get Up?‘ in van de Fabulous Thunderbirds, een song die ze niet hebben ingeoefend en zelfs nog nooit echt publiek gespeeld hebben. Wayne zingt hem precies hoe het moet. Het is alsof ze dit al jaren spelen. Via een Little Walter song, uiteraard met Doug aan de harp, is het tijd voor een andere hommage, aan Robert Nighthawk, die zich ‘Who Will The Next Fool Be‘ van Charlie Rich eigen maakte. ‘Hearing Robert in our spirits‘. Reba zong deze nog nooit tevoren, maar ach, is er iets in de blues dat ze niet aan kan?

Het concert eindigt met nog een ode, nu aan de Staple Singers, met het aanstekelijke en flink meegekweelde ‘I’ll Take You There‘. Ze bist met de gospel ‘Down In The River‘, een verstild einde van een dampende pot hete blues. We vingen op dat de organisatoren dit hun ‘beste concert ooit‘ vonden. Het verwondert ons niks. Enkele dagen later is de Banana Peel blues club aan de beurt. De liefde is wederzijds: Reba houdt de beste herinneringen over aan de twee vorige passages, voor de BP is het de ideale afsluiter van een seizoen, dat artistiek bijzonder geslaagd mag heten. Maar als een sluier van verdriet hangt over de club het heengaan van een kind van een der vrijwilligers, een maand tevoren. De vreugde is gedempt, al spat de blues van het kleine en al te lage podium van de BP. Het is heet, maar niemand voelt de hitte, want de muziek eist de aandacht. Het eerste deel is, na het vrijdagse concert, niet onverwacht: ‘When Love Comes To Town‘ was er in Hamme niet bij, maar wel ‘Some People‘, ‘In My Girlish Days‘, ‘Spoonful‘, ‘Almost A Memory‘, ‘Good Man’s Gone‘ en ‘Blues Is Mine‘.

In Hamme had ze al beloofd een song van kompaan Jimmy Thackery te brengen en daarmee sluit ze de eerste set af: ‘Levee Prayer‘ is één van die songs die zonder blad voor de mond de tragiek van orkaan Katrina belichten. De zwaarmoedigheid van precies deze (aan)klacht wordt niet door iedereen evenzeer gewaardeerd, het optreden als geheel wel. De Reba Russell Band heeft eens te meer al gewonnen spel aan half time. Opnieuw verbaast Josh met een weer volledig anders klinkende improvisatie die de Amerikanen vaak ‘a routine‘ noemen, maar routineus is het allerminst. Het handvol Belgische bluesgitaristen aanwezig spaart zijn lof niet! ‘Red Mississippi Clay‘ en ‘Send Me To The Electric Chair‘, signatuur song van Bessie Smith, vervolgen. Een verzoekje is ‘Tool Box Blues‘, een lekker stoute song van een vrouwelijk doe-het-zelvertje dat moet bekennen een een vent dat ze één bepaald ‘ding’ niet heeft in haar ‘tool box’. Na ‘You Know My Love‘ is er ‘Heaven Came To Helena‘, een open doekje aan het King Biscuit festival dat jaarlijks de blues fans van de hele wereld naar Helena, Arkansas, lokt. Reba vergelijkt het gemoedelijke, maar aandachtige luisterpubliek van ginder met dat van de BP: ‘Jullie zouden gerust naar het festival mogen komen‘, zegt ze verrukt.

Op naar de finale met… ‘Chinaberry Tree‘. Zelfs al komen we dicht bij elven, het uur van de Verschrikkelijke Buurman, waarop de boeken toe moeten of de politie staat voor de deur om verantwoordelijke en programmator van de BP (maar verder vrijwilliger als al de anderen) Franky Van de Ginste op te pakken en een nachtje te laten brommen… Letterlijk! Maar ach, het is de finale, dus komen daar nog het optimistische, strijdbare ‘Love Is The Cure‘ en de gospel ‘Down In The River‘ bij. Het zou de afsluiter moeten zijn, maar het kan vanavond niet op: ‘Your Love Is All You Got‘ lijkt het eindpunt te worden. Moe, maar tevreden, zoals dat heet, gaat men naar huis, maar velen blijven om nog na te genieten, na te praten over afgelopen jaar.

En dan, als het al een stuk na middernacht is, en de instrumenten al ingeladen zijn, zet Reba voor een twintigtal aanwezigen en zalig zwoel ‘Summertime‘ in, het prijsnummer uit ‘Porgy & Bess‘, de op meerdere manieren baanbrekende musical van George & Ira Gerschwin. Het is een bedankje aan het adres van Franky, die gek is op deze klassieker. Wayne plugt zijn bas in de immer aanwezige versterker, Josh haalt de gitaar uit de hoes en de drie zorgen voor vijf hemelse minuten, terwijl iedereen muisstil meeluistert. De klare maar zalvende stem van Reba werkt zich door de bekende strofen van het zoele wiegenlied met sociale ondertoon: ‘Your daddy’s rich and your mama’s good lookin’, so hush, little baby, don’t you cry‘. Josh zorgt voor een ragfijne middenstuk. Een totaal onverwachte climax. Verbouwereerde blikken. Tranen wellen op. Kippenvel. Volgend jaar komen ze weer en er zijn ons een paar verrassingen beloofd… Maar dit hebben we nu gehad: een handvol briljante optredens en fijne herinneringen.


Ook op Blues Magazine ...

Geen berichten gevonden.