Johan OP DE BEECK
Blues. Seks, moed en tegenspoed
Epo ISBN 978-90-6445-668-8  (271 blz.) (www.epo.be)

Tekst : Antoine Légat

Johan Op de Beeck kent men in Vlaanderen als toegewijd journalist en nieuwsanker bij de VRT, TV Limburg en Kanaal Z. Hij presenteerde talkshows en debatprogramma’s en maakte opgemerkte tv-documentaires als ‘Jodentransport’, ‘Undercover’ en ‘Masters Of The Game’. Hij werd alom geprezen, niet alleen voor zijn vlotte presentatie en dito pen, maar ook voor zijn toewijding en dossierkennis. Tegenwoordig is hij publicist en communicatieadviseur, bezigheden waarin hij zijn uitgebreide vakkundigheid en ervaring figuurlijk (en hopelijk ook letterlijk) te gelde kan maken.

Met alle respect, maar hij leek er niet de man naar om met een boek als ‘Blues. Seks, moed en tegenspoed’ voor de pinnen te komen. Dat is dan zonder de waard gerekend: Johan groeide op in de onmiddellijke nabijheid van iemand die zich op jonge leeftijd al openbaarde als een supertalent. Johan leerde bij hem de blues kennen, speelde zelfs even in diens bandje, maar moest erkennen dat het hem te hoog gegrepen was (*) Die crack is niemand minder dan Eric Melaerts, meester-gitarist (o.a. bij Soulsister), producer, maar bij een (zeer) groot publiek vooral bekend als panellid bij diverse tv-muziekwedstrijden en als snarentovenaar bij de mega concerten van Clouseau (samen met Tom Vanstiphout) in het Antwerpse Sportpaleis. Hoe dan ook, de blues bleef hangen bij Johan, zodat hij ‘niet over de blues (wou) schrijven als het opgewarmde kliekje van gisteren, maar als een vitale, essentiële en actuele kunstvorm.’ Wars van het feit dat ‘Blues’ lekker gepend is en leest als een sneltrein, voel je de passie die Johan drijft om ook dit onderwerp uit te benen.

Veel wordt er over de blues niet gepubliceerd in Vlaanderen, althans niet in boekvorm: naast heel occasionele vertalingen van buitenlandse publicaties, vind je zo goed als niets. Je moet eigenlijk al teruggaan naar het ‘Blues Lexicon’ van muzikant en kenner Karel Bogaert en dat dateert uit 1971 (ISBN 90-02-11728-0) Dat werk is nog altijd een bruikbaar en nuttig referentiewerk, al werd het helaas nooit à jour gebracht. ‘Blues’ van zijn kant is helemaal geen naslagwerk en pretendeert ook niet exhaustief te zijn. Het bestaat uit verhalen rond de blues, weetjes en anekdotes die Johan grondig gecheckt en opnieuw gecheckt heeft (zo kennen we hem), verhalen die heen en weer golven van bakermat Amerika naar ‘tiny Belgium’, maar uiteraard zit er een bepaalde chronologie, structuur, een logische flow in de schijnbaar achteloos voortschrijdende vertelling, die beetje bij beetje zowat alle aspecten van de blues ontrafelt, zodat je aan het eind een totaalbeeld krijgt, én een unieke sfeerschepping.

De mensen in de rand, van belang om de meest uiteenlopende redenen, werden daarbij niet vergeten (figuren als musicoloog Charles Peabody, de onvermijdelijke Alan Lomax, de enigmatische Jim McKune, bluesauteur Samuel Charters en ‘luis in de pels’ Lee Atwater) Muddy Waters en BB King krijgen veel ruimte toegemeten maar dat is vanzelfsprekend omdat zij enerzijds met één generatie verschil de hoofdrol spelen in het bluesverhaal, en anderzijds hun leven en werk exemplarisch zijn voor zoveel andere bluesgoden. Anderzijds toetst Op de Beeck een heleboel vooroordelen of voorgekauwde meningen aan de realiteit en stelt ze geregeld bij of verwijst ze zo nodig naar de prullenmand.

Zijn studie leidt hier en daar tot ronduit spectaculaire vaststellingen. Zo krijg je de wetenschappelijk grondig onderbouwde theorie voorgeschoteld die stelt dat de blues niet enkel Afrikaanse roots heeft, maar sterk beïnvloed werd door het feit dat de zwarten hun oude geloof moesten afzweren en in de kerken van Schotse kolonisten en andere blanke congregaties geconfronteerd werden met de ‘Hebridean Gospel’: daar werden de psalmen gebracht in de voor de blues kenmerkende call-and-response stijl. De zwarten leerden zingen precies zoals de Schotse meesters al eeuwen deden! Het onderzoek werd gedaan aan de prestigieuze en gezaghebbende Yale universiteit, geleid door professor Willie Ruff, een zwarte die ooit bij Dizzy Gillespie en Duke Ellington speelde! Volgens onze bescheiden mening bewijst dit straffe verhaal nogmaals dat culturen vooral evolueren en tot creatieve pieken komen dank zij de vaak onvermoede en vooraf niet te voorspellen kruisbestuivingen met andere culturen.

De ondertitel van het boek brengt drie elementen naar voren die met de historie van de blues verbonden zijn. Dat de term ‘seks’ een boek doet verkopen, is wellicht zo, maar het valt niet te ontkennen dat seks altijd een belangrijke drijfveer in de blues is geweest (en in zoveel andere muziekgenres), temeer daar dit in de blues vaak onomwonden aan bod kwam, zo ‘open en bloot’ dat het later afgeremd en ‘afgestoft’ werd: van ‘Dust My Broom’ werd ‘Dust My Blues’ gemaakt. ‘Moed’ vroeg het de pioniers zeker, bij voorbeeld om als individu of als groep respect af te dwingen. Zo is ‘Hoochie Coochie Man’, geschreven door Willie Dixon, maar bekend via Muddy Waters, een combinatie van het verlangen naar seks en van de wens om voor vol aanzien te worden. Ook ‘tegenspoed’ behoort tot het wezen van de blues, maar dat behoeft allicht geen betoog en blijkt dan ook uit heel het verhaal dat Johan ophangt.

Een verstandig auteur zoekt natuurlijk een ‘kapstok’ om zijn verhaal aan op te hangen, liefst één die zijn onderwerp linkt aan zijn potentieel publiek. Hij heeft daarom een aantal Belgische bluesmensen met pedigree en/of uitstraling opgezocht en gepeild naar hun blueservaringen, vooral de reden(en) waarom ze zo aan de blues gehecht zijn. Zo is hij naar Arno getrokken, naar Karel Bogaert, naar showbeest Boogie Boy, naar Misj Daniëls (de man die het Belgium Rhythm & Blues Festival, beter bekend als ‘Peer’, heeft groot gemaakt), gitarist en Nederlandstalig singer-songwriter Wigbert en de frontman van El Fish en The Rhythm Junks, Steven De Bruyn.(de nationale ‘nummer twee’ op de harmonica), Willy Willy van The Scabs, en de jonge wolven van Fried Bourbon, een wissel op de toekomst.

Ook hier heeft Op de Beeck zijn huiswerk goed gemaakt: zo heeft hij Willy Donni uit het vergeetboek gehaald, terwijl die man in de sixties met de grootste bluesmen omging, zoals Eddie Boyd, en ooit zelfs T-Bone Walker verving en diens solo’s speelde, omdat T-Bone toegaf dat hij te diep in het glas had gekeken! Willy is overigens nog steeds een uitstekend gitarist, zoals hij op de voorstelling van ‘Blues’ bewees in de bekende Banana Peel blues club te Ruiselede (11 oktober ll.), terwijl zijn zoon André Donni hem waardig opvolgt als blues en jazz saxofonist. Uiteraard vernemen we ook waarom dit hoofdstuk de titel ‘Blues voor Eddy Merckx’ meekreeg en waarom Willy Donni er de… blues van kreeg..

De vaststelling dat naar de mening van een aantal nationaal belangrijke bluesmensen niet werd gepeild, is spijtig, maar slechts een detail in een boek dat toch niet pretendeert ‘volledig’ te zijn en dat qua omvang toch ook aan (commerciële) grenzen is gebonden. Het is, zoals we al aangaven, ‘volledig’ op andere vlakken en het maakt voor de Nederlandse lezer wellicht weinig uit: die had wellicht graag een gelijkaardig werk gezien met de ervaringen van pakweg Rob Hoeke, Harry Muskee, Oscar Benton, Kaz Lux, Jan Akkerman, Tineke Schoemaker, Eelco Gelling, Julian Sas, Anneke & Jan De Bruijn, Hans Theessink, Michael De Jong… We hopen alvast dat we iemand op ideeën brengen, want deze invalshoek levert alvast in ‘Blues’ interessante en leerrijke lectuur op, zowel over de origine van de blues als over de lokale scene.

Overigens, Johan geeft zelf een bijkomende lijst van boeiende Belgische artiesten (blz. 228-9): de lezer kan desnoods privé ‘op avontuur’ gaan, want de ervaring heeft geleerd dat bluesmensen, in tegenstelling tot toch een behoorlijk aantal artiesten uit andere genres, heel aanspreekbaar zijn: dat hoort bij de grondhouding van de bluesman (M/V) Dat er geen vrouw in het ‘Belgische luik’ een rol van betekenis speelt, heeft niets met de auteur te maken, maar met het feit dat er gewoon geen dames van enig muzikaal gewicht waren, een Kathleen Vandenhoudt uitgezonderd.

Het plaatje klopt. Wie beter dan Robert Johnson kon de kaft sieren, met één van de twee erkende foto’s van de al te jong gestorven pionier? Het voorwoord is van Jean ‘Toots’ Thielemans (de nationale ‘nummer één’ op de bluesharp) en slaat nagels met koppen. Twee reeksen foto’s, bekende naast compleet onverwachte, onderstrepen goed de inhoud. Zoals het hoort bij een zichzelf respecterend werk van deze aard, heeft Op de Beeck gezorgd voor een appendix, met shopping gids (cd’s, DVD’s, websites), voetnoten, bibliografie en namenregister. In zijn geheel een verzorgde uitgave, maar betaalbaar gehouden.

Zoals elk boek is ‘Blues’ een compromis, maar dan wel een heel goed afgewogen. Het voornaamste is dat ‘Blues’ een vlot leesbare, instructieve en zover na te trekken erg accurate introductie is voor de leek, maar met een schat aan schattige informatie die ook de ‘kenner’ kan behagen. Al belicht Op de Beeck de ‘Belgische situatie’, we geloven stellig dat ook de Nederlandse lezer dit werk met veel plezier zal doornemen. Wel opletten: je hebt ‘Blues’ uit vóór je het goed en wel beseft!

—–

(*) Bij de voorstelling van ‘Blues’ in de Banana Peel nodigde Paul ‘Boogie Boy’ Ambach plots Johan Op de Beeck uit om een stukje te komen meespelen tijdens de jam, die op de eigenlijke presentatie volgde. Johan ging daar op in, wellicht schoorvoetend. Op het ‘heilige’ instrument van Willy Donni speelde hij slaggitaar. We waren nog niet bekomen van deze aangename tussenkomst, of we mochten opnieuw verwonderd zijn: Johan moest ook een solo spelen en deed hij zulks méér dan behoorlijk…. Zo ‘slecht’ zal de auteur als gitarist dus ook wel niet geweest zijn!


Ook op Blues Magazine ...